Bloemdijken van Nederland


Beheer

Regulier dijkbeheer
Een dijkgrasland is een tussenstadium tussen kale grond en de climaxvegetatie die in Nederland vrijwel overal bestaat uit bos. Om een dijkvegetatie in stand te houden dient die te worden beheerd. Het beheer van dijken kan bestaan uit maaien, beweiden en een combinatie van maaien en beweiden. De combinatie van maaien en beweiden kan bestaan uit maaien in voorjaar gevolgd door beweiding of beweiden in voorjaar gevolgd door maaien in zomer en beweiden in najaar.
Voor een optimale ontwikkeling van een dijkvegetatie is het van belang dat alle gewenste plantensoorten tot bloei kunnen komen en zaden kunnen produceren. Veel dijkplanten zijn weliswaar overblijvend maar voor hun voortbestaan op den duur toch afhankelijk van hernieuwde kieming uit zaad.
Vooral het maaitijdstip van de voorjaarsmaaibeurt is van belang. Veel dijkplanten bloeien tussen half mei en 21 juni (langste dag) en in die periode dient maaien (en beweiden) dus bij voorkeur achterwege te blijven.
Maaien en beweiden buiten die periode is er voornamelijk op gericht om de vegetatiestructuur en de biomassaproduktie te reguleren. Bij een hogere biomassaproduktie dient minimaal tweemaal per jaar gemaaid te worden om de biomassaproduktie niet verder toe te laten nemen en liefst zelfs te verlagen. Een lagere biomassaproduktie bevordert immers de soortenrijkdom van de dijkvegetatie.

Aangepast dijkbeheer
Hoewel na verloop van tijd een tamelijk homogene dijkvegetatie verkregen kan worden zullen er altijd verschillen in ontwikkeling zijn. Vaak is de dijkvegetatie op steilere delen van de dijk en delen met een zuidexpositie soortenrijker en bloemrijker dan op de overige delen van de dijk. In dat geval kan ervoor worden gekozen om deze bloemrijkere delen in het voorjaar niet of later te maaien dan de overige delen. Dit heeft twee grote voordelen: 1. het ongemaaide deel van de dijk dient als refugium voor tal van vliegende en niet vliegende insectensoorten en 2. de planten die door kunnen bloeien blijven nectar en stuifmeel leveren voor de insectensoorten die hier deels of geheel van afhankelijk zijn.
Een dergelijk aangepast maaibeheer is de afgelopen jaren onder meer toegepast (door ANV De Ploegdriever) op het binnentalud van de Waalbandijk in de Ooijpolder tussen Millingen aan de Rijn en Nijmegen (zie foto's beneden).
Er kan ook voor worden gekozen om het binnen- en het buitentalud op verschillende tijdstippen te maaien. In het algemeen bestaat de toplaag van het buitentalud uit een zwaardere grondsoort (hoger kleigehalte) dan het binnentalud. Hierdoor is de biomassaproduktie op het buitentalud vaak hoger dan op het binnentalud en dient het buitentalud dus eerder gemaaid te worden. Ook hierdoor wordt voorkomen dat alle dijken in een keer worden gemaaid en de fauna van de dijken tijdelijk nergens terecht kan.

1   Aangepast, uitgesteld maaibeheer op de zuidelijke Waalbandijk tussen Kekerdom en Nijmegen


2   Het bovenste, bloemrijke deel van het binnentalud wordt later gemaaid dan de rest van de dijk en het buitentalud


3   De ongemaaide delen van de dijk dienen als refugium en leveren nectar, stuifmeel en zaden terwijl de rest is gemaaid


terug naar boven