Pilot Ottersum - resultaten 2021
Bedekking op maaiveldniveau in voorjaar 2021
Vanwege een vorstperiode met veel sneeuw in februari is de bedekking in 2021 pas bepaald op 1 en 2 maart. Het najaar van 2020 was nat en relatief warm waardoor de grasbekleding
na de najaarsmaaibeurt zich prima heeft kunnen herstellen. Vrijwel alle dijken in Nederland gingen de winter in met een goed gesloten grasbekleding.
In de droge periodes in 2018-2020 zijn met name op dijken met een zuidexpositie en een wat schralere toplaag (relatief laag lutumgehalte) open plekken ontstaan doordat het gras
het er zwaar te lijden had. De open plekken zijn inmiddels weer volgegroeid, soms met louter pioniersoorten (vooral Zachte ooievaarsbek en Reigersbek), soms met louter meerarige
soorten (vooral Smalle weegbree en Schapenzuring) en in andere gevallen met een mix van pioniersoorten en meerjarige soorten.
Tussen 2020 en 2021 is de gemiddelde bedekking van grassen+kruiden gestegen van naar 78,7% naar 86,1%. In 2021 is de hoogste bedekking van grassen+kruiden (88,0%) gemeten bij toepassing van
mycorrhiza op het niet geklepelde deel van de dijk (myc-n), de laagste bedekking (84,6%) bij inzaai met D1 (zie Figuur 1). De verschillen tussen de behandelingen zijn dus erg klein.
Tussen 2020 en 2021 is het gemiddelde percentage van grassen gestegen van 63,1% naar 65,8%, het percentage kruiden van 15,6% naar 20,3% en is het percentage mos gedaald van 12,4% naar 8,3% en
van kale plekken van 9,0% naar 5,6%.
Figuur 1: bedekking op maaiveldniveau in voorjaar 2021

Doorworteling in voorjaar 2021
In 2021 is de doorworteling in de 12 proefvakken bepaald op 1 en 2 maart. Tijdens het steken van de wortelmonsters bleek wederom dat de bodem een heterogene samenstelling heeft.
Naast dat het zandgehalte van west naar oost toeneemt en het lutumgehalte afneemt (zie Bodemsamenstelling) zijn er ook verschillen binnen de proefvakken aangetroffen. Sommige monsters
bleken geheel te bestaan uit dezelfde grondsoort, in een aantal monsters werden brokken zware klei, geblakerde grond, grind en stukjes puin aangetroffen.
Verder bleken er ook nu weer behoorlijk grote verschillen te bestaan in de verdichting van de bodem, bij beschouwing van de gehele proefdijk maar ook binnen de proefvakken. De dikte
van de doorgroeibare laag varieerde in 2021 van 18 tot 65 cm. Onder deze laag is de verdichting nog steeds zo sterk dat planten moeite hebben om erin door te dringen.
Doorworteling inclusief open plekken
In alle 12 proefvakken zijn 3 van de 4 deelmonsters gestoken in een gesloten vegetatie en 1 deelmonster in een open plek. In figuur 2 zijn de wortellengtes weergegeven, gebaseerd
op alle vier de deelmonsters per proefvak, dus inclusief de kale plekken. Omdat in elk proefvak 1 van de 4 deelmonsters gestoken is in een open plek is vergelijking van de proefvakken
mogelijk.
In 2021 was de totale wortellengte het hoogst bij inzaai met D1 (1.246 cm) en het laagst bij toepassing van mycorrhiza op het niet geklepelde deel van de dijk (1.081 cm).
Tussen 2020 en 2021 is de gemiddelde wortellengte van alle behandelingen gestegen van 1.132 cm naar 1.152 cm (van 59% naar 60% van de maximale wortellengte van 1.920 cm).
Figuur 2: doorworteling in voorjaar 2021, inclusief kale plekken

Vergelijking doorworteling gesloten vegetatie en open plekken
In elk proefvak is 1 van de 4 deelmonsters gestoken in een open plek. In figuur 3 zijn voor 2020 en 2021 de wortellengtes weergegeven van de gesloten vegetatie en de open plekken.
Tussen 2020 en 2021 is het verschil in doorworteling tussen de gesloten vegetatie en de open plekken afgenomen van naar 26% naar 16%.
Conclusie
Tussen 2020 en 2021 is zowel de gemiddelde bedekking als de gemiddelde doorworteling toegenomen en is het verschil in doorworteling tussen de gesloten vegetatie en de open plekken
afgenomen.
Figuur 3: doorworteling in voorjaar 2020 en 2021, vergelijking gesloten vegetatie en open plekken

Vegetatieonderzoek op 10 augustus 2021
In 2021 zijn de vegetatieopnamen gemaakt op 10 augustus. Normaliter worden de vegetatieopnamen begin juni gemaakt. Maar bij aankomst op de dijk begin juni 2021 bleek deze
net te zijn gemaaid.
Soortenrijkdom van de proefvakken
Het gemiddeld aantal soorten in de proefvakken is tussen 2018 en 2019 gestegen van 30,2 naar 34,3 en vervolgens gedaald naar 31,6 in 2020 en 26,7 in 2021.
In 2021 was de soortenrijkdom met 29,5 soorten het hoogst in de niet geklepelde proefvakken met mycorrhiza en met 23,5 soorten het laagst in de proefvakken met root&shoot.
Vegetatiesamenstelling
In 2018 zijn 10 vegetatieopnamen gemaakt, in 2019, 2020 en 2021 12 vegetatieopnamen. In totaal zijn in deze 46 vegetatieopnamen 89 hogere plantensoorten aangetroffen, 14
grassoorten, waarvan een echte pioniergras (Hanenpoot), en 75 soorten kruiden waaronder 22 pioniersoorten die op den duur uit de vegetatie verdwijnen. Van de 89 soorten
zullen er 67 waarschijnlijk in de vegetatie blijven voorkomen in de toekomst.
Ten opzichte van 2018 zijn in 2021 21 soorten verdwenen terwijl er 15 nieuwe soorten zijn aangetroffen. De nieuwe soorten in 2021 zijn deels pioniersoorten
en deels soorten die ook op de lange termijn aanwezig zullen zijn in de vegetatie.
Grassensamenstelling
Tussen 2018 en 2020 domineerde Rood zwenkgras. Tussen 2018 en 2021 is de gemiddelde abundantie van Rood zwenkgras afgenomen van 7,9 naar 5,8. In 2021 domineerde Kweek in
de meeste proefvakken. Tussen 2018 en 2021 is de gemiddelde abundantie van Kweek gestegen van 4,5 naar 8,6. Tot en met 2020 had Kweek vooral in de proefvakken in het oostelijke
deel van de pilot een flink aandeel in de vegetatie maar in 2021 ook in de proefvakken in het westelijke deel. Glanshaver is in 2019 voor het eerst aangetroffen. Glanshaver is
in 2019 aangetroffen in 2 van de 12 proefvakken, in 2020 en 2021 in 4 van de 12 proefvakken. Glanshaver kwam in 2018 al voor op het binnentalud maar in 2019, 2020 en 2021 dus
ook op het buitentalud. Tussen 2019 en 2021 is de gemiddelde abundantie van Glanshaver licht toegenomen van 2,0 naar 2,8. Grote vossenstaart is tussen 2018 en 2021 tegenomen van
3 proefvakken naar 10 van de 12 proefvakken. Engels raaigras is in alle jaren aangetroffen in alle proefvakken maar de gemiddelde abundantie is tussen 2018 en 2021 afgenomen van
6,8 (25-50% bedekkend) naar 3,7 (>20 exx. maar niet bedekkend).
Probleemsoorten
Mogelijke probleemsoorten op dijken zijn Akkerdistel, Grote brandnetel en Ridderzuring. Akkerdistel is in 2021 licht toegenomen ten opzichte van 2018: van 8 naar 11 proefvakken
en toename van de gemiddelde abundantie van 2,6 naar 4,0. Vanwege deze toename dient Akkerdistel de komende jaren in de gaten gehouden te worden. Zodra Akkerdistel nog meer toeneemt
dienen gerichte maatregelen worden getroffen. In het proefvak met D1 in het westelijke deel van het proeftraject had Akkerdistel in 2021 een abundantie van 7 (25-50% bedekkend) en
in drie proefvakken een abundantie van 5 (5 - 12,5% bedekkend). Ridderzuring (inclusief kruising Bermzuring) is in 2021 sterk afgenomen ten opzichte van 2018: van 8 naar 1 proefvak.
Pioniersoorten
De meeste pioniersoorten zullen snel uit de vegetatie verdwijnen wanneer de vegetatie zich verder sluit. Bij de kruiden valt verder op dat een aantal weilandsoorten sterk is
afgenomen: Klein streepzaad (van 8 naar 1 proefvak), Zachte ooievaarsbek (van 8 naar 2 proefvakken), Kleine leeuwentand (van 4 naar 0 proefvakken) en Witte klaver (van 8 naar 0
proefvakken). Ook Krulzuring (van 10 naar 1 proefvak) en Ringelwikke (van 8 naar 1 proefvak) vertonen een sterke afname.
Bedekking en hoogte van de vegetatie
Ook in de zomer van 2021 was de vegetatie nog niet geheel homogeen en werden dichtbegroeide stukken afgewisseld met kleinere open plekken, maar aanzienlijk minder dan in het
beginjaar 2018. Desondanks is de bedekking van de grassen, kruiden en moslaag in de proefvakken zo goed mogelijk geschat. De gemiddelde totale bedekking (grassen+kruiden) is
tussen 2018 en 2021 gestegen van 81,9% naar 97,4%. De gemiddelde bedekking van de grassen is tussen 2018 en 2021 gedaald van 81,0% naar 68,3%. Ook in 2021 was er nog nauwelijks
sprake van een moslaag met een bedekking van 0,8%.
De gemiddeld hoogte van de vegetatie is tussen 2018 en 2021 gestegen van 16,0 cm naar 41,3 cm. De combinatie van de totale bedekking (grassen+kruiden) en de gemiddelde hoogte
van de vegetatie geeft een indicatie van de biomassaproductie van de vegetatie. Deze lijkt dus in 2021 te zijn gestegen ten opzichte van 2018.
Behandelingen
In 2021 waren de verschillen in totale bedekking (grassen+kruiden) zoals gemeten tijdens het vegetatie-onderzoek op 10 augustus gering. De bedekking van de kruiden was in 2021
met 48,0% het hoogst in de geklepelde proefvakken met mycorrhiza en met 11,0% het laagst in de niet geklepelde referentievakken. In 2021 was de gemiddelde hoogte van de vegetatie
met 50,0 cm het hoogst bij toepassing van root&shoot en inzaai met D1 en met 27,5 cm het laagst in de geklepelde referentievakken. Tussen 2020 en 2021 is de gemiddelde hoogte bij
toepassing van root&shoot en bij inzaai met D1 gestegen van respectievelijk 22,5 cm en 27,5 cm naar 50,0 cm. Dit is een aanzienlijke toename die indiceert dat ook de biomassa
waarschijnlijk flink is gestegen. In de referentievakken is de toename van de biomassa tussen 2020 en 2021 gering en in de proefvakken met toepassing van mycorrhiza intermediair.
Vegetatietypen
De overeenkomsten met de vegetatietypen uit VTV2006 zijn relatief laag. W3 wijst op een dominantie van 'weilandgrassen' Engels raaigras en Rood zwenkgras. Bij maaibeheer gaan
deze soorten in abundantie achteruit en nemen hooilandsoorten toe. In 2018 werd 1 van de 10 proefvakken gerekend tot een hooilandtype, in 2021 8 van de 12 proefvakken (zie tabel 1).
Tabel 1: vegetatietypen per proefvak in 2018, 2019, 2020 en 2021

Tussen 2018 en 2021 is het vegetatietype van het geklepelde proefvak met mycorrhiza in het oostelijke deel van de proefdijk (My-O-k) veranderd van W3 via H2 naar H1 en is het
aantal soorten gedaald van 33 naar 28 (zie tabel 2). Tussen 2018 en 2021 is het vegetatietype van het niet geklepelde referentievak in het oostelijke deel van de proefdijk (Rf-O-n)
veranderd van W3 via H2 naar Ru en is het aantal soorten gedaald van 40 naar 22.
Tabel 2: soortenrijkdom per proefvak in 2018, 2019, 2020 en 2021

Verschil tussen westelijk en oostelijk deel van de proefdijk
Opvallend is dat er in 2018 nog relatief weinig verschil was tussen de duo-vakken (vakken met dezelfde behandeling) op het westelijke en oostelijke deel van de proefdijk maar
dat de duo-vakken in 2021 wel een aanzienlijk verschil in vegetatiesamenstelling vertoonden wat zich uit in verschil in soortenrijkdom en verschil in vegetatietype (zie tabel 3).
Tabel 3: vegetatietypen per proefvak in 2018, 2019, 2020 en 2021
proefvakken van westelijk en oostelijk deel van de proefdijk geclusterd

Alleen in de geklepelde referentievakken en in de niet geklepelde proefvakken met mycorrhiza was in 2021 het vegetatietype op het westelijke en oostelijke deel van de proefdijk
hetzelfde (hoewel de soortenaantallen aanzienlijk verschilden) (zie tabel 4). De vegetatieontwikkeling lijkt dus te verschillen tussen het westelijk en oostelijk deel van de proefdijk.
Tabel 4: soortenrijkdom per proefvak in 2018, 2019, 2020 en 2021
proefvakken van westelijk en oostelijk deel van de proefdijk geclusterd

terug naar boven