Pilot Ottersum - resultaten 2020
Bedekking op maaiveldniveau in voorjaar 2020
Op 19 en 21 februari is in de 12 proefvakken de bedekking bepaald. De bedekking van de bodem door de vegetatie was in het vroege voorjaar al beduidend minder inhomogeen
dan in vorige jaren. De open plekken die aanwezig waren werden veelal veroorzaakt door de graafactiviteit van woelmuizen. Bij de bepaling van de bedekking zijn de open plekken
meegenomen.
De hoogste bedekking van grassen+kruiden (80,5%) is gemeten in beide referentievakken, de laagste bedekking (74,3%) bij Root & shoot (zie Figuur 1).
De bedekking van de grassen bij de behandeling met mycorrhiza is aanzienlijk hoger in het proefvak in de niet geklepelde zone (myc-u: 72,0%) dan in de wel geklepelde
zone (myc-i: 52,0%). Het percentage van de kruiden is respectievelijk 8,4% en 26,5%.
Ook in de referentievakken is de bedekking van de grassen hoger in het proefvak in de niet geklepelde zone (ref-u: 65,8%) dan in de wel geklepelde zone (ref-i: 59,4%). Het percentage
van de kruiden is respectievelijk 14,8% en 21,1%.
Het aandeel van de moslaag is het hoogst bij Root & shoot (15,1%) en het laagst bij inzaai met D1 (10,8%).
Het aandeel van de kale plekken is het hoogst bij inzaai met D1 (11,3%) en het laagst bij mycorrhiza in de niet geklepelde zone (myc-u: 6,9%).
Figuur 1: bedekking op maaiveldniveau in voorjaar 2020

Doorworteling in voorjaar 2020
Op 19 en 21 februari is in de 12 proefvakken de doorworteling bepaald. In tegenstelling tot eerdere jaren ging het steken van de wortelmonsters relatief gemakkelijk:
de bodem was veel minder uitgedroogd en daardoor veel minder hard. Tijdens het steken van de wortelmonsters bleek dat de bodem een heterogene samenstelling heeft. Naast dat
het zandgehalte van west naar oost toeneemt en het lutumgehalte afneemt (zie Bodemsamenstelling) zijn er ook verschillen binnen de proefvakken aangetroffen. Sommige monsters
bleken geheel te bestaan uit dezelfde grondsoort, in een aantal monsters werden brokken zware klei, geblakerde grond, grind en stukjes puin aangetroffen.
Verder bleken er behoorlijk grote verschillen te bestaan in de verdichting van de bodem, bij beschouwing van de gehele proefdijk maar ook binnen de proefvakken. Op het
westelijke deel van de proefdijk bleek de doorgroeibare laag gemiddeld 18,9 cm dik te zijn (bepaald met behulp van penetrograaf), op het oostelijke deel gemiddeld 28,4 cm.
Onder deze laag is de verdichting zo sterk dat planten moeite hebben om erin door te dringen. In tegenstelling tot eerdere jaren kon de prikstok nu wel tot een maximale diepte
van 70 cm in de bodem worden gedrukt.
Doorworteling inclusief open plekken
In figuur 2 zijn de wortellengtes weergegeven, gebaseerd op alle vier de wortelmonsters, dus inclusief de kale plekken.
Behandeling met mycorrhiza in de geklepelde zone heeft de hoogste totale wortellengte (myc-i: 1.236 cm), inzaai met D1 de laagste (1.042 cm).
De gemiddelde wortellengte van de behandelingen bedraagt 1.132 cm is is daarmee 59% van de maximale wortellengte (1.920 cm).
Figuur 2: doorworteling in voorjaar 2020, inclusief kale plekken

Doorworteling exclusief open plekken
In figuur 3 zijn de wortellengtes weergegeven, gebaseerd op de wortelmonsters die niet in de kale plekken zijn gestoken. De wortellengtes gemeten in de kale plekken
zijn apart weergegeven (i.e. open, in vergelijking gesloten en open).
Behandeling met Root & shoot heeft nu de hoogste totale wortellengte (1.292 cm), het referentievak in de geklepelde zone de laagste (ref-i: 1.172 cm).
De gemiddelde wortellengte van de behandelingen bedraagt nu 1.236 cm is is daarmee 64% van de maximale wortellengte (1.920 cm).
Het verschil in wortellengte tussen de gesloten vegetatie en de open plekken is groot: respectievelijk 1.236 cm en 851 cm (vergelijking gesloten en open in Figuur 3).
Figuur 3: doorworteling in voorjaar 2020, exclusief kale plekken

Vegetatieonderzoek op 21 mei 2020
Op 21 mei 2020 zijn in de 12 proefvakken opnieuw vegetatieopnamen gemaakt waarbij ook de structuurparameters (bedekking en hoogte) zijn bepaald. In totaal zijn in de
34 vegetatieopnamen van 2018, 2019 en 2020 84 hogere plantensoorten aangetroffen, 14 grassoorten, waarvan een echt pioniergras (Hanenpoot), en 70 soorten kruiden waaronder
22 pioniersoorten die op den duur uit de vegetatie verdwijnen. Van de 84 soorten zullen er 61 waarschijnlijk in de vegetatie blijven voorkomen in de toekomst.
Ten opzichte van 2018 zijn in 2020 19 soorten verdwenen terwijl er 16 nieuwe soorten zijn aangetroffen. De nieuwe soorten in 2020 zijn deels pioniersoorten en deels
soorten die ook op de lange termijn aanwezig zullen zijn in de vegetatie.
Grassen samenstelling
De grassen vormen de basis van de grasbekleding op dijken. In 2019 zijn 2 grassoorten voor het eerst aangetroffen: Glanshaver en Zachte dravik. Glanshaver is in 2019
aangetroffen in 2 van de 12 proefvakken, in 2020 in 4 van de 12 proefvakken. Glanshaver kwam in 2018 al voor op het binnentalud maar in 2019 en 2020 dus ook op het buitentalud.
Zachte dravik is in 2019 aangetroffen in 2 proefvakken, in 2020 in 6 proefvakken. Grote vossenstaart is tussen 2018 en 2020 tegenomen van 3 proefvakken naar 11 van de 12
proefvakken. Engels raaigras is in alle jaren aangetroffen in alle proefvakken maar de gemiddelde abundantie is tussen 2018 en 2020 afgenomen van 6,8 (25-50% bedekkend)
naar 3,9 (>20 exx. maar niet bedekkend).
Soortenrijkdom van de proefvakken
Het gemiddeld aantal soorten in de proefvakken is tussen 2018 en 2019 gestegen van 30,2 naar 34,3 en vervolgens gedaald naar 31,6 in 2020. In 2020 was de soortenrijkdom
het hoogst in de geklepelde proefvakken met mycorrhiza met 35,0 soorten en het laagst in de niet geklepelde proefvakken met mycorrhiza en de geklepelde referentievakken met
28,5 soorten. Op 21 mei 2020 zijn in de 12 proefvakken opnieuw vegetatieopnamen gemaakt waarbij ook de structuurparameters (bedekking en hoogte) zijn bepaald.
Vergelijking van de behandelingen in 2020
De verschillende behandelingen laten ook in 2020 nog geen grote verschillen zien in soortensamenstelling, soortenrijkdom en structuur van de vegetatie. De vegetatie-ontwikkeling
heeft nog niet geleid tot een homogene, stabiele grasbekleding met weinig of geen eenjarige pioniersoorten. De verwachting is dat de grasbekleding zich verder zal ontwikkelen
tot een matig soortenrijk glanshaverhooiland met dominante grassoort glanshaver, een type dat op veel dijken in Nederland wordt aangetroffen.