Pilot-Ottersum


Pilot Ottersum: verbetering grasbekleding Niersdijk


Pilot Ottersum - proefopzet

Opzet van de pilot
Voor de behandelingen in de pilot is gekozen voor:

  • 1. Inbrengen van mycorrhiza
  • 2. Opnieuw doorzaaien met D1
  • 3. Opbrengen van 'root & shoot'
  • 4. Geen behandeling: referentievakken binnen geklepelde zone
  • 5. Geen behandeling: referentievakken buiten geklepelde zone

  • De behandelingen zijn uitgevoerd op 19 april 2018 (zie Foto's 2018).
    Voordat de behandelingen 1 t/m 4 zijn uitgevoerd is, uit praktische overwegingen, de (nog lage) vegetatie geklepeld. Om het effect van het klepelen mee te nemen in de pilot zijn referentievakken in en buiten de geklepelde zone aangelegd. Alle behandelingen zijn in duplo uitgevoerd waardoor er 10 proefvelden zijn ontstaan.
    In het voorjaar van 2019 is aan beide uiteinden van het proeftraject een nieuw proefvak toegevoegd waarin mycorrhiza zijn ingebracht. Doel van deze extra vakken is om nog nogmaals na te kunnen gaan of mycorrhiza een positief effect hebben op de wortelontwikkeling en daarmee de groei van de dijkvegetatie. Hierdoor zijn er in totaal 12 proefvelden ontstaan.

    Onderzoek en monitoring
    De bodemsamenstelling is vastgesteld door middel van een eenmalig bodemonderzoek op 20 april 2018. Hiervoor zijn bodemmonsters gestoken in de 4 referentievakken (2 binnen en 2 buiten de geklepelde zone) (voor locaties, zie Kaarten).
    De effecten van de behandelingen op de vegetatieontwikkeling worden gevolgd door middel van standaard monitoringmethoden in permanente proefvakken, waarin naast de samensteling en structuur van de vegetatie ook de belangrijkste structuurparameters ten aanzien van de erosiebestendigheid worden bepaald, te weten bedekking op maaiveldniveau en doorworteling.
    De grootte van de proefvakken voor het vegetatieonderzoek is 25 m2 (5x5m). De ligging ervan is bepaald met behulp van GPS (linksbovenhoek van proefvak).
    De bepaling van de bedekking op maaiveldniveau en doorworteling vindt plaats in februari, het vegetatieonderzoek in mei-juni.

    Bedekking op maaiveldniveau
    De bedekking op maaiveldniveau wordt bepaald met behulp van een telraster met 100 kruisingen van draden. Bij elke kruising wordt een bepaling gedaan met behulp van een pin die verticaal naar beneden wordt gestoken. De mogelijkheden bij elke bepaling zijn: gras, kruid, mos, strooisel en kaal. In elk proefvak worden 400 bepalingen gedaan (4 telrasters).

    Figuur 1: telraster voor bepaling bedekking


    Doorworteling
    De doorworteling wordt bepaald aan de hand van 4 wortelmonsters van 0-20 cm-mv (i.e. cm beneden maaiveldniveau). Elk wortelmonster wordt verdeeld in 8 deelmonsters van 2,5 cm. In elk deelmonster wordt de wortellengte bepaald (in cm wortellengte). De maximale wortellengte per deelmonster waarmee wordt gerekend is 60 cm (bij wortelkluitje: aanname wortellengte 60 cm). De maximale wortellengte in de 4 wortelmonsters bedraagt: 4 x 8 x 60 = 1.920 cm. Deze wortellengte wordt gebruikt als referentiewaarde.

    Figuur 2: wortelmonster: 0-20 cm-mv